In het Engels
spreekt men, wanneer een overduidelijk feit genegeerd en onbesproken blijft,
van een ‘elephant in the room’. Aangezien hier in het Nederlands voor zover ik
weet geen equivalent voor bestaat, heb ik besloten om voor deze tekst de term
te adopteren. Het voelt namelijk alsof ik al een jaar lang met een olifant in
een kamer opgesloten zit. Een olifant die constant is blijven doorgroeien, met
als resultaat dat hij nu met zijn rug tegen het plafond aan staat en de planken
langzaamaan beginnen te breken, de voegen beginnen te scheuren en al het
isolatiemateriaal als regendruppels op de grond begint te vallen. Het voelt
alsof mijn kamer, alsof het hele huis op instorten staat. En niemand die er met
een woord over rept, vooral ik niet. Misschien is het voor sommige mensen
makkelijker dan voor anderen om aan het zicht van zo’n nieuw huisdier te
wennen, voelt het voor hen na een tijdje aan als een ordinair meubelstuk.
Anderen denken misschien dat hij vanzelf wel weg zal gaan als hij maar lang
genoeg genegeerd wordt. Ik persoonlijk behoor geen van deze twee partijen toe.
Dus laat ik het maar proberen bespreekbaar maken.
Een jaar, een maand
en ongeveer een week geleden werd ik gediagnosticeerd, zoals dat zo mooi heet,
met fibromyalgie. Grapjes over de onuitspreekbaarheid van dit woord heb ik
ondertussen zo vaak gehoord dat ik er een bad in kan nemen. De goede gesprekken
over dit onderwerp daarentegen kan ik op twee handen tellen. Ik ben me bewust
van het feit dat ik daaraan voornamelijk zelf schuldig ben, daarom wil ik ook
zelf de eerste stap zetten in de tegenovergestelde richting. Ik kan het
namelijk wel gebruiken. De waarheid is dat ik het er na een jaar nog steeds
heel moeilijk mee heb. Niet werken is leuk voor een maand, maar niet voor een
half jaar en zeker niet voor meer dan een jaar. Niet werken is ook leuk als je
dingen kan gaan doen, niet als die dingen zich beperken tot het huishouden en
een erg traag vorderende masterscriptie. Soms denk ik dat mensen mij niet
geloven. Dat ze denken dat ik niet meer wil werken, dat ik mij aanstel, dat ik
een rolletje speel. Maar ook zij moeten toch weten dat ik graag werkte, of toch
in ieder geval graag onder de mensen was als het werk tegenviel. Waarom zou ik
er dan voor kiezen om mijn dagen alleen door te brengen?
Tegenover mijn
familie voel ik me vooral schuldig. Ik heb mijn best gedaan om niet de fouten
te maken waar zij me altijd voor gewaarschuwd hebben, maar toch ben ik met de
eindzege in zicht gestrand voor ik de finish bereikte. Ik ben er niet in
geslaagd om aan de verwachtingen die ze van mij hadden kunnen te voldoen. Bij
vrienden is het anders. Over het algemeen voel ik mij het beste op mijn gemak
bij de mensen die ik pas het afgelopen jaar leren kennen heb, omdat zij niet
beter weten. Zij hebben me vroeger niet gekend en weten niet hoeveel er
veranderd is. Dat maakt het op de een of andere manier makkelijker voor mij om
te praten. Mensen zien die ik al langer ken is meestal een ander verhaal.
Het onderwerp wordt (ook door mij) gemeden als de pest. Het ergste is wanneer
iemand het nog niet weet en ik het moet vertellen, wetende dat ze zullen
schrikken en zich ongemakkelijk zullen voelen.
Ik ben als de dood
voor reünies, omdat ik me schaam voor alle dingen die ik niet heb bereikt.
Omdat ik me verloren voel tussen al die succesvolle mensen. Iedereen werkt,
sommigen gaan trouwen, anderen kopen een huis, anderen beginnen aan kindjes. En
ik? Ik maak grapjes en hoop vurig dat mij geen vragen worden gesteld. Want het
antwoord op ‘hoe gaat het?’ hoort ‘goed’ te zijn. Het is niet gewenst dat je de
mensen vertelt dat je 15 uur per dag moet rusten om een avond uit te gaan. Dat
ik een half uur moet gaan zitten voor ik mijn boodschappen wegsteek als ik
terugkom van de winkel. Dat hij mijn haar wast, mijn eten voor me snijdt, mijn
schoenen aan en uit doet, omdat mijn handen niet meer werken. Ik ben het zo moe
om altijd moe te zijn. Ik ben het zo beu om altijd pijn te hebben en om niks te
kunnen doen om die te verzachten. Maar dit is de realiteit. Ik zou het er
alleen zo graag soms eens met jullie over kunnen hebben. En voor zij die geen
praters zijn en toch iets willen doen: ik kan altijd wel hulp gebruiken. Praat
met mij, ik zal niet meer weglopen.