donderdag 7 maart 2013

The Elephant in the Room



In het Engels spreekt men, wanneer een overduidelijk feit genegeerd en onbesproken blijft, van een ‘elephant in the room’. Aangezien hier in het Nederlands voor zover ik weet geen equivalent voor bestaat, heb ik besloten om voor deze tekst de term te adopteren. Het voelt namelijk alsof ik al een jaar lang met een olifant in een kamer opgesloten zit. Een olifant die constant is blijven doorgroeien, met als resultaat dat hij nu met zijn rug tegen het plafond aan staat en de planken langzaamaan beginnen te breken, de voegen beginnen te scheuren en al het isolatiemateriaal als regendruppels op de grond begint te vallen. Het voelt alsof mijn kamer, alsof het hele huis op instorten staat. En niemand die er met een woord over rept, vooral ik niet. Misschien is het voor sommige mensen makkelijker dan voor anderen om aan het zicht van zo’n nieuw huisdier te wennen, voelt het voor hen na een tijdje aan als een ordinair meubelstuk. Anderen denken misschien dat hij vanzelf wel weg zal gaan als hij maar lang genoeg genegeerd wordt. Ik persoonlijk behoor geen van deze twee partijen toe. Dus laat ik het maar proberen bespreekbaar maken.

Een jaar, een maand en ongeveer een week geleden werd ik gediagnosticeerd, zoals dat zo mooi heet, met fibromyalgie. Grapjes over de onuitspreekbaarheid van dit woord heb ik ondertussen zo vaak gehoord dat ik er een bad in kan nemen. De goede gesprekken over dit onderwerp daarentegen kan ik op twee handen tellen. Ik ben me bewust van het feit dat ik daaraan voornamelijk zelf schuldig ben, daarom wil ik ook zelf de eerste stap zetten in de tegenovergestelde richting. Ik kan het namelijk wel gebruiken. De waarheid is dat ik het er na een jaar nog steeds heel moeilijk mee heb. Niet werken is leuk voor een maand, maar niet voor een half jaar en zeker niet voor meer dan een jaar. Niet werken is ook leuk als je dingen kan gaan doen, niet als die dingen zich beperken tot het huishouden en een erg traag vorderende masterscriptie. Soms denk ik dat mensen mij niet geloven. Dat ze denken dat ik niet meer wil werken, dat ik mij aanstel, dat ik een rolletje speel. Maar ook zij moeten toch weten dat ik graag werkte, of toch in ieder geval graag onder de mensen was als het werk tegenviel. Waarom zou ik er dan voor kiezen om mijn dagen alleen door te brengen?

Tegenover mijn familie voel ik me vooral schuldig. Ik heb mijn best gedaan om niet de fouten te maken waar zij me altijd voor gewaarschuwd hebben, maar toch ben ik met de eindzege in zicht gestrand voor ik de finish bereikte. Ik ben er niet in geslaagd om aan de verwachtingen die ze van mij hadden kunnen te voldoen. Bij vrienden is het anders. Over het algemeen voel ik mij het beste op mijn gemak bij de mensen die ik pas het afgelopen jaar leren kennen heb, omdat zij niet beter weten. Zij hebben me vroeger niet gekend en weten niet hoeveel er veranderd is. Dat maakt het op de een of andere manier makkelijker voor mij om te praten. Mensen zien die ik al langer ken is meestal een ander verhaal. Het onderwerp wordt (ook door mij) gemeden als de pest. Het ergste is wanneer iemand het nog niet weet en ik het moet vertellen, wetende dat ze zullen schrikken en zich ongemakkelijk zullen voelen.

Ik ben als de dood voor reünies, omdat ik me schaam voor alle dingen die ik niet heb bereikt. Omdat ik me verloren voel tussen al die succesvolle mensen. Iedereen werkt, sommigen gaan trouwen, anderen kopen een huis, anderen beginnen aan kindjes. En ik? Ik maak grapjes en hoop vurig dat mij geen vragen worden gesteld. Want het antwoord op ‘hoe gaat het?’ hoort ‘goed’ te zijn. Het is niet gewenst dat je de mensen vertelt dat je 15 uur per dag moet rusten om een avond uit te gaan. Dat ik een half uur moet gaan zitten voor ik mijn boodschappen wegsteek als ik terugkom van de winkel. Dat hij mijn haar wast, mijn eten voor me snijdt, mijn schoenen aan en uit doet, omdat mijn handen niet meer werken. Ik ben het zo moe om altijd moe te zijn. Ik ben het zo beu om altijd pijn te hebben en om niks te kunnen doen om die te verzachten. Maar dit is de realiteit. Ik zou het er alleen zo graag soms eens met jullie over kunnen hebben. En voor zij die geen praters zijn en toch iets willen doen: ik kan altijd wel hulp gebruiken. Praat met mij, ik zal niet meer weglopen.

woensdag 5 december 2012

Homo Bulla


Nooit meer slapen. Ik stel me voor dat die gedachte voor veel mensen visioenen oproept van oneindige hoeveelheden tijd, te gebruiken voor al die dingen die ze al jaren wilden doen. Aan tijd heb ik echter geen gebrek. Sinds ik niet meer kan werken zie ik mezelf elke dag geconfronteerd met immense hopen tijd, maar geen spatje energie om ze mee te vullen. Het is nu december, wat wil zeggen dat ik bijna een jaar thuis zit. Ik had me duizenden dingen ingebeeld die ik hierover wou schrijven, maar nu ik hier eindelijk zit komen de woorden niet. Het zijn lange, lege dagen, ik ben moe en heb pijn. Ik zou er pagina's mee vol kunnen kalken, maar het haalt niks uit. Het liefst zou ik nu slapen, maar mijn hartslag is te hoog, mijn lichaam is te wakker. De optie om een halve slaappil te slikken heb ik weggeredeneerd omdat het al half drie is en ik morgen op tijd moet opstaan om een opeenvolging van afspraken niet te missen. Bovendien heb ik nog maar twee pillen over, wat slechts vier goede nachten betekent, en die gedachte alleen al bezorgt me stress.

Dit is de allereerste keer dat ik 's nachts opsta. Ik kon gewoon niet meer blijven liggen. Ik lag voor de zoveelste keer naar de ademhaling van mijn liefste te luisteren en naar zijn slapende gezicht te kijken, terwijl ik geluidloos mijn kussen nat druppelde. Ik hou ervan om naar hem te kijken als hij slaapt, hij is zo bijna nog mooier dan wanneer hij wakker is, als dat al mogelijk zou zijn. Mijn gestaar maakt hem echter soms wakker, wat natuurlijk niet de bedoeling is. Vannacht is de eerste keer dat ik hem niet wekte terwijl ik probeerde op te staan, en dus de eerste keer dat ik daadwerkelijk beneden ben geraakt. Ik voel me een verrader. Sluipend kwaad in ons warme huis.

De meeste mensen zijn vrij voorspelbaar. Telkens wanneer we anderen ontmoeten, vertellen we dingen over onszelf. We vertellen datgene wat we willen dat ze onthouden, wat wij willen dat zij over ons denken. Zelden of nooit vertellen we ze de dingen die ze echt zouden moeten weten. Één van de dingen die ik eigenlijk zou moeten vertellen, is dat ik gefrustreerd ben. Ik had altijd veel energie en veel plannen. Wat ik dacht was dat er op een gegeven moment in mijn leven wel tijd zou zijn om tenminste een deel van deze plannen waar te maken. Als ik er maar eerst voor zorgde dat al de rest in orde zou komen, zou ik later wel tijd hebben om te leven. Een belachelijke gedachte. Met mijn hersenen is niets mis, in mijn hoofd ben ik nog dezelfde. Ik bedenk nog steeds, maar veel van mijn ideeën zweven als zeepbellen weg en zullen uiteindelijk uiteen spatten, omdat ik ze niet meer waar kan maken. Homo bulla, de mens is een zeepbel.

Nachten zoals deze maken me altijd somber, het is makkelijk om te klagen als het donker is en je alleen bent. Ik ben, voor alle duidelijkheid, zeker niet ongelukkig. Zoals gezegd ben ik vooral gefrustreerd en moe, en misschien bovenal, veel te eerlijk over deze dingen. Of ik realistisch ben over de toekomst kan ik met de beste wil van de wereld niet zeggen, omdat ik de hoop om te begrijpen wat realistisch is al lang heb opgegeven. Ik ben niet arrogant of naïef genoeg meer om te denken dat ik weet wat morgen brengt. De wind moet zelf maar beslissen waarheen mijn zeepbel zal waaien.

woensdag 18 april 2012

Hazel


Twee nieuwe personages staan klaar om onze fantasiewereld te vervoegen. Ze hebben elk hun kleine kantjes, hun onbereikbare dromen en voor mij toch ook iets onweerstaanbaars. Ik heb lang getwijfeld wie van hen eerst geboren zou worden, maar Hazel lijkt voorlopig toch het best voorbereid om de wereld in te stappen. Waar blonde Melvin eerder voorzichtig met zijn publiek omspringt, ramt onze ravissante Hazel liefst direct haar vuist in je gezicht. Figuurlijk dan, want eigenlijk wil ze ons toch ook gewoon betoveren en voor haar winnen. Zoals het een echte megalomaan betaamt, laat ze mij niet voor haar het woord doen, maar spreekt zij voor zichzelf. Maak kennis met haar onbevangenheid terwijl Melvin zich met zijn engelengeduld neervlijt in de marge en zijn tijd afwacht.

Mijn naam is Hazel en ik hou van alle mannen. De intelligente stille waters, de praatzieke charmeurs, de artistieke types, de ruige werkmannen, de jonge vaders, de oude snoepers, allemaal zijn ze me even lief. Ik speel ermee tot ik er genoeg van heb en na gebruik werp ik ze als lege hulzen terug in de werkelijkheid. Ze willen het allemaal, al is de één soms wat moeilijker te overtuigen dan de ander. Sommigen stribbelen tegen, vechten, ontkennen, maar uiteindelijk krijg ik ze toch wel waar ik ze hebben wil. Het geeft me alleen maar een extra grote kick als ik zo'n heilig boontje overtuigd heb of een hondstrouwe echtgenoot vakkundig tot overspel aan weet te zetten. Een goede vriendin vleide me ooit door te zeggen dat zelfs Penelope, de grote liefde van Oddyseus, in de twintig jaar dat ze op hem wachtte minder potentiële vrijers over de vloer kreeg dan ik. Ik omring me graag met mooie jonge vrouwen, even meedogenloos als ik, en homofiele mannen zoals mijn huisgenoot Melvin (al weet ik niet goed of die nu nog in de kast zit, of gewoon aseksueel is).

Begrijp me niet verkeerd, het gaat me er absoluut niet om ze in bed te krijgen. Genieten deed ik nooit van seks, maar ik heb het leren gebruiken als een middel om te krijgen wat ik verlang. Om wraak te nemen op degenen voor wie ik vroeger niet meer was dan een hulpje bij het klaarkomen, een verlengstuk van hun eigen hand, hun ego. Wat ik wil is ze kapotmaken. Dat punt waarop ze hun eer en waardigheid opzij zetten en hun innigste gevoelens voor me bekennen, daar werk ik naartoe, weken, zelfs maanden als dat nodig is. Pas als ik weet dat mijn gif in de diepste krochten van hun lijf is doorgedrongen, dat ze van me houden, vurig verliefd op me zijn en me nooit zullen vergeten, ben ik tevreden. Ik wil ze voor mijn ogen zien breken, zien opensplijten tot ik de gore drab in hun binnenste voor mijn ogen kan zien borrelen en ze volledig in mijn macht zijn. Vanaf dat punt zijn ze volkomen nutteloos voor mij geworden en mep ik ze van me af als vervelende insecten, waarna ik ze radeloos spartelend in hun eigen bloed achterlaat.

Mannen zijn zwijnen, gore rotzakken die het verdienen dat je op ze trapt. Ze gaan ervoor liggen en vragen om meer, ze smeken mij om hen kapot te maken, zoals ze mij kapot hebben gemaakt. Niets liever willen ze dan mijn voeten voelen als ik over hen heenloop, om dan als gebruikte vodden in de goot achter te blijven terwijl ze kijken hoe ik van hen wegloop. Onaanraakbaar als de Venus van Botticelli, hoog over haar schelp zwevend en boven het aardse schuim verheven. Aangenaam.

vrijdag 6 april 2012

Miezer


Het is bijna zeven uur als ik de Sint-Baafskathedraal voorbijloop. De lucht is vol van regen, maar lost slechts minieme druppeltjes die mijn gezicht beroeren als zachte vrouwenvingers. Alles draagt de typische geur van nat asfalt en mijn schoenen maken lichte afdrukken op de gladde stadstegels. Mijn lippen zingen geluidloos mee met de radio tot de muziek overgaat in reclame, die het nieuws aankondigt. Ik zet mijn koptelefoon af en geniet van de plotse uitbarsting van de drie klokken tegelijk, drie verschillende ritmes in een verrassend muzikale kakafonie. Ik adem de zure regen in en voel me als een gelukkige toerist in de stad die ik zo goed ken. Zelfs na zeven jaar weet ze me nog te boeien en kan ik als een trotse stadsgids hoog opgeven over haar verborgen plekjes en eigenaardigheden.

De laatste twee maanden zijn als een roes aan mij voorbijgegaan. Ik weet dat ik moet rusten, maar ik kreeg evengoed de nadrukkelijke opdracht om te ontspannen en voorlopig lukt het niet om die twee in evenwicht te krijgen. Ik ga op elk verzoek in en heb de tijd van mijn leven, maar slaap veel te weinig. Elk voorstel is een uitdaging, elke nieuwe dag een avontuur dat ’s morgens begint en waarvan ik niet weet waar het zal eindigen. Ik leef gulzig, alsof er nooit iets anders is geweest of zal zijn dan dit en nu en hier. Als een spons zuig ik alles in me op, constant om me heen kijkend of ik niets mis, geen kansen, geen gestolen glimlach die deze dag nog beter zou kunnen maken. Ik probeer alles wat ik zie in me op te nemen om het eeuwig vast te leggen, nooit te vergeten hoe deze dagen waren.

Door mezelf te omringen met mensen leer ik te kijken naar mezelf door hun ogen, nieuwe vrienden, oude bekenden, dichte geliefden. Ik wil zien wat zij zien. De laatste maanden besef ik meer en meer dat wie wij zijn grotendeels bepaald wordt door hoe anderen ons ervaren, de eigenschappen die zij ons toedichten en wat zij in ons zien. Wat mij de laatste tijd vooral verbaast is hoe positief veel mensen eigenlijk over me zijn. Ik prijs me gelukkig en buig verlegen mijn hoofd om zoveel onverwacht gevlei. Vandaag ben ik slechts twee schrijvende handen waarvan eentje nog vaag de afdruk draagt van een balpentekening met “Elivis leeft” daaronder. Tot snel.

donderdag 9 februari 2012

Taboes uit een verdronken verleden


Flashbacks naar een tijd waarin ik zoveel ontdekte. De zurige geur van urine, verstopt in mijn geheugen maar even levendig als 16 jaar geleden. Het beeld van mijn vriendin in haar legging die langzaamaan steeds vochtiger werd. We speelden buiten en ze moest dringend plassen, wat ze deed achter een hoek van ons huis omdat ze niet naar binnen wilde gaan. Binnen in mij vonkte ongeloof, al deed ik hard mijn best om onverschillig over te komen. Plaatsvervangende schaamte bij het zien van haar broekje. Ik wilde haar niet meer aanraken. Hoe absurd: de smetvrees van een klein meisje dat overal leert over bacteriën en hoe belangrijk het is om je handen te wassen, en dan dit.


Er bestaat niet zoiets als een onschuldige jeugd. De jeugd is even schuldig als wij, maar beseft het minder (of misschien juist meer). Als je jong bent lijkt alles zwart of wit, maar je ziet al snel de kleuren vervagen en alles om je heen steeds grijzer en genuanceerder worden. Wit is nooit perfect en zwart bestaat niet. Hoe hard je ook kleurt, het potlood volledig verticaal in je hand en keihard op het blad geramd, het blijft altijd grijs. Tot de punt afbreekt en van de tafel rolt, je voeten aantikt en verdwijnt in een gat in de grond, waar het bij andere grijze dingen zal verblijven tot je vader ze ooit terugvindt wanneer hij vele jaren later de vloer openbreekt.

Sommige dingen ontdek je vroeger dan je ze wil weten: je bent niet zoals de rest. Toen we als tienjarigen de opdracht kregen om een kerststukje te maken op school, wist ik niet wat dat was. Na een vraag om verduidelijking werd mij gezegd dat het de bedoeling was om takjes en stukjes van bomen en planten in een dot groene oase te steken. Geen probleem dacht ik en ik ging de tuin in om de nodige flora te verzamelen. Groot was mijn verbazing toen ik ontdekte dat mijn klasgenoten in plaats van de postmoderne compositie van dorre takken zonder blaadjes die mijn tafeltje innam hun bloempotje gevuld hadden met stukjes groene dennentakken en kleine kitscherige kerstballetjes en poppetjes. Mijn moeder vond het echter prachtig en het gedrocht mocht wekenlang onze vensterbank ontsieren.

Krijsend in de achtertuin: Vervuilers! Woedend op de vuile grijze rook die de wolken doorkliefde en verpestte, afkomstig uit de wasserij naast ons huis. De wereldverbeteraar en Greenpeace-adept die ik toen was, overtuigd van de eenvoudigheid van de dingen: fabrieken zijn slecht. Wat mis ik vroeger soms. Ik was wel eenzaam, maar tenminste niet alleen. Ik geloofde dat ik later alles kon bereiken wat ik maar wilde, dat mijn toekomst hoe dan ook rooskleurig was. Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik dat beeld moet aanpassen, hoe meer dromen ik van mijn lijstje moet schrappen omdat steeds meer onmogelijk blijkt te zijn. Door ziekte, lichamelijke mankementen of eenvoudigweg het gebrek aan mentale capaciteiten.

Is de toekomst een desillusie? Ik geloof dat er een fase komt wanneer je leert te accepteren waar je grenzen liggen en je nieuwe plannen maakt, die haalbaar zijn. En als je geluk hebt, de kracht vindt om ervoor te gaan. Het is een misvatting dat je krijgt wat je verdient. Niemand heeft ooit beweerd dat het leven eerlijk is, dat je uiteindelijk wordt beloond of gestraft voor de manier waarop je de dingen hebt aangepakt. Integendeel, als je zelf niet neemt wat je wil hebben, blijf je al snel met lege handen over. Dus misschien wordt het tijd dat ik dat eens ga doen. Maar eerst: acceptatie.

- Is papa de grootste man ter wereld?
- Natuurlijk niet, dat weet je toch. Je hebt toch al veel mannen gezien die groter zijn dan papa?
Objectieve waarneming. Maar als je zweeft, hoog in de lucht, als je door die armen wordt opgetild, is hij dan niet de grootste?

woensdag 14 december 2011

Lois

Vandaag is een belangrijke dag. We zullen eindelijk kennis maken met Lois. Ze wachtte lang genoeg in de kantlijn van haar eigen verhaal, dat tot nu toe en nog steeds een lege bladzij is die zichzelf (zoals dat nu eenmaal gaat met verhalen) slechts langzaamaan zal vullen. Lois is niet groot, niet klein en eerder mager van gestalte. Het laatste straalt ze vooral uit door haar houding: ze heeft licht naar voor hangende schouders en een bolle rug, waardoor haar buik ietwat hol wordt. Haar lange muisbruine haren en grijze ogen maken haar een eerder onopvallend persoon, wat haar goed uitkomt aangezien ze erg op zichzelf is.

Lois kijkt alleen naar films waarin het hoofdpersonage sterft. Wat eerst begon als een vreemde fascinatie groeide later uit tot een onontkoombare voorwaarde: de protagonist moet dood. Want, zo redeneert zij: zo is het in het leven ook. Dit verbindt haar ertoe om bij elke film die ze wil kijken eerst een samenvatting te lezen, zodat ze dus het verhaal al kent voor begint te kijken. Toen ze op haar zestiende voor het eerst over Bertold Brecht en zijn episch theater hoorde, was ze meteen verkocht. Ze houdt van de vernietiging en onthechting van zijn stukken en deelt zijn mening dat het publiek zich niet te veel moet laten meeslepen. De mensen met hun emoties altijd. Ze voelen te veel en denken te weinig na, vindt Lois. Zij denkt, ter compensatie, over alles na.

Het liefst brengt ze haar dagen door met het observeren van mensen. Door haar talent om zich onzichtbaar te maken, kan ze moeiteloos kijken naar de wereld zonder dat het iemand opvalt. Altijd vergezeld van haar tekenblok en zwarte balpen, tekent ze de mensen precies zoals ze hen ziet: net zo leeg, lelijk en zwak als ze vanbinnen zijn. Zonder alle tekens van uiterlijke schijn en alleen voor haar herkenbaar. Eenmaal thuisgekomen legt ze de tekeningen naast elkaar op de vloer van haar vrijwel lege éénkamerflat, waar ze blijven liggen tot ze ze op een dag zal verscheuren en weggooien. Sommige tekeningen liggen er jaren aan een stuk, sommige is slechts een aantal dagen het licht gegund. Maar allemaal zullen ze ooit sneuvelen. Stellen dat hun tijd sneller zal komen dan gedacht, zou in deze fase van het verhaal voorbarig zijn.

Haast met het leven heeft Lois niet. Haast om te sterven evenmin. Ze ondergaat telkens weer het verstrijken van de dagen en zelfs het wisselen van de seizoenen maakt haar niet goed of slecht gezind. Heel soms, als het regent, gaat ze naar buiten om zichzelf nat te laten regenen tot ze van kop tot teen doorweekt is. Ze huilt dan dikke tranen die, onzichtbaar door de regen. met het zure wolkenwater vermengd neerkomen op de grond en in de aarde verdwijnen, hun zoute smaak niet meer dan een vleugje op haar lippen. Na zo'n dag slaapt ze een aantal dagen goed, voor de slapeloosheid terugkeert. Een rustpunt, maar uiteindelijk niet meer dan een rimpel op het water van het leven.

Nietzsche voor beginners


Friedrich Nietzsche geloofde in de eeuwige terugkeer van hetzelfde: welke kant je ook opgaat, je zult altijd op hetzelfde punt terugkomen. Alles wat ooit gebeurd is, zal zich tot in het oneindige blijven herhalen. Dit is een ondraaglijke gedachte: het maakt niet uit wat je doet of welke keuzes je maakt, vroeg of laat sta je weer terug op het punt waar je startte.

De hel is de eeuwige herhaling van de dingen. De hel is elke dag wakker worden in hetzelfde bed, door dezelfde wekker, elke dag dezelfde douche nemen en dezelfde tram. De hel is elke dag op dezelfde manier binnen wandelen in hetzelfde gebouw, met dezelfde collega's, hetzelfde werk, steeds dezelfde problemen waar niks aan gedaan wordt. Maar vooral: weten dat dat altijd zo zal blijven. Dat er geen weg terug is en slechts één vooruit. Dat niets ooit verandert, hoe hard je ook probeert. Dat er geen hoop is op beterschap.

Ik doe zo mijn best om anders te geloven.