Twee nieuwe personages staan klaar om onze fantasiewereld te vervoegen. Ze hebben elk hun kleine kantjes, hun onbereikbare dromen en voor mij toch ook iets onweerstaanbaars. Ik heb lang getwijfeld wie van hen eerst geboren zou worden, maar Hazel lijkt voorlopig toch het best voorbereid om de wereld in te stappen. Waar blonde Melvin eerder voorzichtig met zijn publiek omspringt, ramt onze ravissante Hazel liefst direct haar vuist in je gezicht. Figuurlijk dan, want eigenlijk wil ze ons toch ook gewoon betoveren en voor haar winnen. Zoals het een echte megalomaan betaamt, laat ze mij niet voor haar het woord doen, maar spreekt zij voor zichzelf. Maak kennis met haar onbevangenheid terwijl Melvin zich met zijn engelengeduld neervlijt in de marge en zijn tijd afwacht.
Mijn naam is Hazel en ik hou van alle mannen. De intelligente stille waters, de praatzieke charmeurs, de artistieke types, de ruige werkmannen, de jonge vaders, de oude snoepers, allemaal zijn ze me even lief. Ik speel ermee tot ik er genoeg van heb en na gebruik werp ik ze als lege hulzen terug in de werkelijkheid. Ze willen het allemaal, al is de één soms wat moeilijker te overtuigen dan de ander. Sommigen stribbelen tegen, vechten, ontkennen, maar uiteindelijk krijg ik ze toch wel waar ik ze hebben wil. Het geeft me alleen maar een extra grote kick als ik zo'n heilig boontje overtuigd heb of een hondstrouwe echtgenoot vakkundig tot overspel aan weet te zetten. Een goede vriendin vleide me ooit door te zeggen dat zelfs Penelope, de grote liefde van Oddyseus, in de twintig jaar dat ze op hem wachtte minder potentiële vrijers over de vloer kreeg dan ik. Ik omring me graag met mooie jonge vrouwen, even meedogenloos als ik, en homofiele mannen zoals mijn huisgenoot Melvin (al weet ik niet goed of die nu nog in de kast zit, of gewoon aseksueel is).
Begrijp me niet verkeerd, het gaat me er absoluut niet om ze in bed te krijgen. Genieten deed ik nooit van seks, maar ik heb het leren gebruiken als een middel om te krijgen wat ik verlang. Om wraak te nemen op degenen voor wie ik vroeger niet meer was dan een hulpje bij het klaarkomen, een verlengstuk van hun eigen hand, hun ego. Wat ik wil is ze kapotmaken. Dat punt waarop ze hun eer en waardigheid opzij zetten en hun innigste gevoelens voor me bekennen, daar werk ik naartoe, weken, zelfs maanden als dat nodig is. Pas als ik weet dat mijn gif in de diepste krochten van hun lijf is doorgedrongen, dat ze van me houden, vurig verliefd op me zijn en me nooit zullen vergeten, ben ik tevreden. Ik wil ze voor mijn ogen zien breken, zien opensplijten tot ik de gore drab in hun binnenste voor mijn ogen kan zien borrelen en ze volledig in mijn macht zijn. Vanaf dat punt zijn ze volkomen nutteloos voor mij geworden en mep ik ze van me af als vervelende insecten, waarna ik ze radeloos spartelend in hun eigen bloed achterlaat.
Mannen zijn zwijnen, gore rotzakken die het verdienen dat je op ze trapt. Ze gaan ervoor liggen en vragen om meer, ze smeken mij om hen kapot te maken, zoals ze mij kapot hebben gemaakt. Niets liever willen ze dan mijn voeten voelen als ik over hen heenloop, om dan als gebruikte vodden in de goot achter te blijven terwijl ze kijken hoe ik van hen wegloop. Onaanraakbaar als de Venus van Botticelli, hoog over haar schelp zwevend en boven het aardse schuim verheven. Aangenaam.
Mijn naam is Hazel en ik hou van alle mannen. De intelligente stille waters, de praatzieke charmeurs, de artistieke types, de ruige werkmannen, de jonge vaders, de oude snoepers, allemaal zijn ze me even lief. Ik speel ermee tot ik er genoeg van heb en na gebruik werp ik ze als lege hulzen terug in de werkelijkheid. Ze willen het allemaal, al is de één soms wat moeilijker te overtuigen dan de ander. Sommigen stribbelen tegen, vechten, ontkennen, maar uiteindelijk krijg ik ze toch wel waar ik ze hebben wil. Het geeft me alleen maar een extra grote kick als ik zo'n heilig boontje overtuigd heb of een hondstrouwe echtgenoot vakkundig tot overspel aan weet te zetten. Een goede vriendin vleide me ooit door te zeggen dat zelfs Penelope, de grote liefde van Oddyseus, in de twintig jaar dat ze op hem wachtte minder potentiële vrijers over de vloer kreeg dan ik. Ik omring me graag met mooie jonge vrouwen, even meedogenloos als ik, en homofiele mannen zoals mijn huisgenoot Melvin (al weet ik niet goed of die nu nog in de kast zit, of gewoon aseksueel is).
Begrijp me niet verkeerd, het gaat me er absoluut niet om ze in bed te krijgen. Genieten deed ik nooit van seks, maar ik heb het leren gebruiken als een middel om te krijgen wat ik verlang. Om wraak te nemen op degenen voor wie ik vroeger niet meer was dan een hulpje bij het klaarkomen, een verlengstuk van hun eigen hand, hun ego. Wat ik wil is ze kapotmaken. Dat punt waarop ze hun eer en waardigheid opzij zetten en hun innigste gevoelens voor me bekennen, daar werk ik naartoe, weken, zelfs maanden als dat nodig is. Pas als ik weet dat mijn gif in de diepste krochten van hun lijf is doorgedrongen, dat ze van me houden, vurig verliefd op me zijn en me nooit zullen vergeten, ben ik tevreden. Ik wil ze voor mijn ogen zien breken, zien opensplijten tot ik de gore drab in hun binnenste voor mijn ogen kan zien borrelen en ze volledig in mijn macht zijn. Vanaf dat punt zijn ze volkomen nutteloos voor mij geworden en mep ik ze van me af als vervelende insecten, waarna ik ze radeloos spartelend in hun eigen bloed achterlaat.
Mannen zijn zwijnen, gore rotzakken die het verdienen dat je op ze trapt. Ze gaan ervoor liggen en vragen om meer, ze smeken mij om hen kapot te maken, zoals ze mij kapot hebben gemaakt. Niets liever willen ze dan mijn voeten voelen als ik over hen heenloop, om dan als gebruikte vodden in de goot achter te blijven terwijl ze kijken hoe ik van hen wegloop. Onaanraakbaar als de Venus van Botticelli, hoog over haar schelp zwevend en boven het aardse schuim verheven. Aangenaam.
1 opmerking:
mooi verwoord ;)
Een reactie posten