zondag 9 augustus 2009
Herejezus!
Het onvermijdelijke is gebeurd. Mensen zijn zomaar, zonder het te vragen of me even te waarschuwen, meningen gaan vormen over mijn blog. Tot daar aan toe, maar men blijkt ook nog eens besloten te hebben dat ik stante pede van die mening op de hoogte gebracht moest worden. Men bleek namelijk te denken dat ik smachtend zat te wachten op allerlei gemening, getip en gemysteriezeer. Ongelofelijk!
Op zoek naar enige ontspanning vond ik deze ochtend (alles wat voor mijn middageten komt noem ik ochtend) een gedigitaliseerd briefje in een van mijn virtuele brievenbussen. Dat briefje meldde mij dat iemand onverhoopt het plan had opgevat mijn blog te lezen. Welaan, dacht ik, lees hem dan. Dat was dus ook gebeurd (het hele monster in één ochtend? waanzin, pure waanzin!). Tot overmaat van ramp, had de persoon in kwestie er een mening over, waar hij me graag even van op de hoogte wilde stellen. Ik zuchtte. “Graag zou ik zien”, daar begon het al. Graag zou hij zien? Ik zou graag het noorderlicht zien, mijn vrienden gelukkig, een mooi toneelstuk, maar val ik daar een ander mee lastig? Hij zou graag zien dat ik wat meer afstand tussen mijn stukjes en de werkelijkheid creëerde. Pardon? Sinds wanneer worden er eisen aan mij gesteld? Sinds wanneer luister ik naar wat een ander mij zegt te doen? Zeker wanneer die ander een achternaam heeft die me denken doet aan prehistorische koffiesnoepjes, een bepaald soort vla, en als ik een bepaald deurtje in mijn hersenen binnenga aan een belachelijk type dans waar allemaal oude mensen in vreemdsoortige klederdrachten heen en weer huppelen (ooit vraag ik er een patent op aan). Of hij niet eens in een verhaal van mij mocht figureren, suggereerde hij tussen de regels door. Hij wilde zelfs mijn spreukjesman ontmoeten! De brutaliteit! Hij dikte het geheel aan met wat quasi-mysterieus gezwans omtrent zijn persoon, verblijfplaats en bedoelingen. Of ik nu niet nieuwsgierig naar hem was. Dat hij zeker wist dat ik me ondertussen al een beeld van hem gevormd zou hebben. Of ik niet weten wou wat hij in Parijs deed. “Nee!” scandeerde ik, maar ik vroeg het me ondertussen wel af.
(Terwijl ik dit schrijf komt een motor voorbijgereden met twee mensen op in perfecte hondneukstandpositie. Ik wilde jullie dit smeuïge detail natuurlijk niet onthouden.)
Ik ging prompt in de tegenaanval, gewapend met twee verbale handgranaten en de eeuwige onmisbare killer dress geflankeerd door een paar van mijn mooiste paradepaardschoenen en een goed onderhouden wapperende haardos. Wie hij wel dacht te zijn, om mij zomaar tips te geven. Wie hij wel dacht te zijn, om te veronderstellen dat ik ook maar enige ambitie had, dat ik verder wou komen dan mijn spreekwoordelijke achtertuin (ik moet helaas bekennen dat ik niet beschik over een achtertuin). Hij grijnsde. Ik vroeg hem geagiteerd wie hij wel dacht te zijn, om zomaar te gaan zitten liggen staan grijnzen. Hij grijnsde nog steeds. Ik zei hem, nee, ik riep zelfs, ik gilde, dat het absoluut compleet volledig ongehoord was om me zo vies grijnzerig te benaderen, dat ik er niet mee akkoord ging dat er zomaar en zonder meer zo hardnekkig mijn richting uit gegrijnsd werd. Volhardend in zijn gegrijns schuifelde hij wat heen en weer, waarbij hij plagerig van de ene op de andere voet sprong (misschien had ook hij die helse dans in zijn hoofd?). Ik besloot het grijnzen tegen te gaan met een zwaarmoedig gefrons, maar hij leek niet onder de indruk. “Ha!” zei hij. “Ha?” vroeg ik. “Ha!”, zei hij opnieuw, wat me danig irriteerde dat ik op het punt stond om opnieuw te gaan gillen. “Maar ondertussen ben je wél aan het schrijven!”
Ik hou mijn hart vast.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten