Setting: een witte gang zonder einde. Er is links noch rechts geen muur te bekennen, maar toch is het een gang. Het enige wat we kunnen zien is wit, eindeloos, smetteloos wit.
Temidden van dat wit bevindt zich een klein wezen. Ze heeft een deken om zich heen geslagen en kijkt glazig voor zich uit, met ogen zo groot als schoteltjes. Ze huilt niet meer.
De camera zoomt uit. Het wit blijft.
De camera zoomt verder uit. Het wit blijft.
De camera blijft uitzoomen. Het wit houdt vol in zijn eeuwige witheid. Het wezen is nu nog slechts een stipje tussen al dat wit.
Welkom in het niets. Het is hier verdomd koud.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten