zaterdag 5 januari 2008

Vrijdag zelfmoorddag (Dilemma III, 2007, bewerkt)

Wat heb ik toch een godsgruwelijke hekel aan mensen. En ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat dat wederzijds is. Ze laten namelijk echt geen enkele kans onbenut om me eens grondig op de zenuwen te werken. Wat me nog het meeste irriteert zijn die afschuwelijke wetten van het fatsoen, die mij ten allen tijde verhinderen om er eens grondig komaf mee te maken, en mij elke keer weer verplichten om deze dagelijkse beproevingen lijdzaam en geduldig te ondergaan.

Vooral over die onweerstaanbare dwang die mensen lijken te hebben om de hele wereld te laten horen wat ze te vertellen hebben kan ik mij op dagen zoals deze ongelofelijk opwinden. Onvrijwillig hoor ik een dikke vrouw met zo’n permanent verontwaardigde uitdrukking, wat ik dus echt niet kan uitstaan, haar uiterst boeiende verhaal doen over de nieuwe bustijden en wat dat toch allemaal niet voor spannende avonturen met zich meebrengt. Na zeven keer vermeld te hebben dat ze toch wel erg graag zo’n nieuw dienstregelingenboekje zou hebben, besluit ze dat het misschien niet zo’n onverstandig idee is om er dan maar een te gaan halen. Juichend komt ze vier minuten later met het verkregen relikwie in haar worstenvingertjes geklemd aan iedereen vertellen dat ze er nu daadwerkelijk een heeft. ‘Proficiat‘, wil ik zeggen, en het ding op gewelddadige wijze in haar strot stampen, net zo lang tot ze het vanzelf weer uitbraakt, om dan een foto te maken van het ongetwijfeld prachtige postmodernistische tafereel dat zoiets moet opleveren, waar ik dan later ongetwijfeld wereldberoemd mee wordt.

Er is maar een ding erger dan een marginaal en dat is een verliefde marginaal. Het speeksel vliegt mij en mijn perrongezelschap om de oren als een hondslelijk koppel zich bij ons voegt en elkaar openlijk begint af te lebberen. Want stél dat we toch niet zouden zien hoeveel zij van elkaar houden en hoe gelukkig ze met elkaar zijn. Ik beheers me nog net om ze niet bij hun nekvel vast te grijpen, tegen de muur te kwakken en van hun beider tongen te ontdoen, waarna ik die met een authentieke mastworp voor eeuwig aan elkaar zou verbinden.

De griet naast me zit als een op hol geslagen eierwekker op haar gsm te tikken. Ze typt maar en typt maar, en negeert daarbij behendig mijn priemende en zo geïrriteerd mogelijke blik. Ik bedenk hoe graag ik het ding doormidden zou breken om het daarna langs twee kanten haar hoofd in te rammen, zodat er aan elke kant een stuk verfrommeld plastic boven haar oren zou uitsteken, met enerzijds een vrolijk lcd-schermpje en anderzijds een hoop toetsjes waarvan de cijfertjes door veelvuldig gebruik niet meer leesbaar zijn.

Alsof dat nog niet genoeg was krijg ik ook nog eens het weekverslag van ongeveer twintig veel te enthousiaste buspubers te verduren op de weg naar huis. Of ik nu wil of niet, luisteren zal ik. Het ene onuitstaanbare pubergezicht vertelt tegen een ander dat ze van haar ma al om twaalf uur ‘s nachts thuis moet zijn als ze uitgaat. Die tweede neemt de rol van luisterend oorsmeer met veel verve op zich en uit zijn misnoegen voor deze wandaad. Zo gaat het maar door, en het enige wat ik op dat moment wil is het keihard uitschreeuwen. Maar ik doe het niet, ik hou me in.

‘Bram heeft een date’ hoor ik achter me verkondigen. Voor de hardhorenden onder ons wordt diezelfde zin tot het eind van de rit herhaald, afgewisseld met collectieve giebergeluiden en steeds hardnekkigere protesten van de Bram in kwestie, die waarschijnlijk ondertussen ongeveer net zo wanhopig als ik moet zijn. Zucht.

Geen opmerkingen: