Als ik zuchtend dit monster bestijg dat me, zoals elke week, na veelvuldige omzwenkingen enkele kilometers van mijn thuisbasis zal droppen, zie ik een bekend gezicht. Blij als ik ben om de frustraties van deze immer helse tocht met een vriend te kunnen delen strompel ik zijn richting uit, mijn trouwe metgezel Rood Koffertje achter me aanslepend. Godzijdank heeft hij het voor elkaar gekregen om het allerlaatste vrije zitje van deze bus voor mij te reserveren. Op het moment dat ik RK aan de leuning vastklik om mijn territorium af te bakenen komt een opmerkelijk personage het toneel binnengewaggeld: ietwat opgezwollen hoofd, wazige blik en een geur met zich meeslepend die zelfs de hardnekkigste strontvliegen dood zou doen neervallen. Hij kijkt me aan met wat een meelijwekkende blik moet voorstellen en murmelt Ikbennebitjeziek. Ik besluit dat het geen goed idee is om de man iets te weigeren en sta mijn zitplaats af. Zo comfortabel mogelijk nestel ik me op de grond naast de man, met RK voor mij, als bescherming tegen de boze buitenwereld.
Ongeveer 4 minuten later begin ik spijt te krijgen, en wel op het moment dat hij doodgemoedereerd een fles champagne uit zijn geel uitgeslagen boodschappentas haalt en eraan begint te lurken. Ik hou mijn gezicht strak, terwijl hij tegen mijn vriend begint te lallen over de prijs van de fles (23 euro). Even later vist hij een oud model gsm uit diezelfde boodschappentas, en begint verwoed wat knopjes in te drukken. Als het ding met een hels lawaai afgaat probeert hij de oproep te beantwoorden door op de rĂ³de knop te drukken. Slecht idee, zo blijkt, want de telefoon weigert stellig zijn gebrul in de speaker te beantwoorden. Hij concludeert dat dit aan het instrument moet liggen, en probeert het probleem te verhelpen door hard tegen de gsm te roepen en hem een paar keer op de grond te gooien, vlak naast mijn hoofd. Uiteindelijk lijkt het hem toch te lukken om contact met de buitenwereld te krijgen, en we horen hem een onbekende op de hoogte stellen van het feit dat hij zich momenteel niet in Gent bevindt.
In een vlaag van sociale vaardigheid wendt hij zich tot mijn vriend, en vraagt hem aan welke halte hij moet uitstappen om bij het psychiatrisch ziekenhuis te geraken, wandikbenechtwelZIEK. De busbevolking houdt zijn en haar adem in, maar Pieter houdt moedig stand. Enkele weldoeners beloven de man te zullen verwittigen wanneer hij zijn tentakel naar het blauwe knopje moet bewegen. Hij lijkt gerustgesteld, en als dankbetuiging vertelt hij nog 2 keer hoeveel de fles champagne hem gekost heeft, gevolgd door een relaas tegen de drankprijzen van tegenwoordig. Om zijn onbestaande argumentatie kracht bij te zetten gooit hij nog een paar keer de gsm naar mijn hoofd.
Dan valt hem plots iets in. Hij wendt zich voor de zoveelste keer tot de arme gekwelde Pieter en vraagt hem doodleuk of hij ook naar de psychiatrie moet. Er barst een onderdrukt gegrinnik los, en iedereen mijdt elkaars blik. Als de man uiteindelijk afstapt gaat een zucht van verlichting door de rijen. Ik spring naast mijn compagnon op de bank en we giechelen als 2 kleine kinderen tot we thuis zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten