donderdag 10 januari 2008

Geëmancipeerde vrouwen ('t Civielke, nov / dec 2007)

Ik zal het maar meteen toegeven: ik ben het type vrouw dat bouwvakkers naroept. Nog voor ze hun hoofd hebben kunnen draaien sta ik al naar hen te fluiten alsof mijn leven ervan afhangt. Ik zie het als een vorm van emancipatie, een vorm van protest: na al die jaren van lijdzaam ondergaan is het nu eindelijk tijd om zelf de touwtjes in handen te nemen. Iemand moet het doen.

Het is een lange en uitputtende dag geweest, en ik kan dringend wat afleiding gebruiken. Gelukkig heb ik mijn dagelijks ontspanningsmoment nog om naar uit te kijken. Die bouwvakkers zijn toffe jongens, altijd weer bereid om mijn dag nét dat tikje aangenamer te maken als ik het even niet meer zie zitten. Ik kijk op mijn gsm. Het schermpje toont 15:52, een ideaal uur voor een uitstapje richting werf om mijn hoofd weer leeg te maken. Ik trek mijn meest uitdagende jurk aan en begeef mij heupwiegend op weg.

Wanneer ik enthousiast zwaaiend de straat kom ingelopen slaan de verschrikt kijkende bouwvakkers al op de vlucht. Ze rennen hun gammele trappen af en verstoppen zich achter hun afgebroken muren, om mijn blik zoveel mogelijk te ontwijken. Een aantal van hen probeert over de steiger zo snel mogelijk naar beneden te klimmen en weg te lopen. Sommigen laten zich plat op de grond vallen achter hun half-afgemaakte balkonnetjes. Maar het is al te laat. Ik heb hen al lang opgemerkt en grijns breed, bij wijze van voorpret voor wat komen zal.

“Joehoe!” wuif ik ze toe, terwijl ik op hen af kom gewandeld. “Jullie zien er weer niet te versmaden uit vandaag, met jullie lekkere werkpakjes aan!” Ze gluren naar me van achter hun veilige vestingen, hun ogen wijd opgengesperd van angst. Ik huppel heen en weer, tot ik een makkelijk slachtoffer zie: de kleine Jean-Louis. Hij had er niks beters op gevonden dan te proberen om snel van de steiger naar beneden te kruipen, maar met zijn bierbuikje was hij vrij ongelukkig tussen twee ijzeren stangen vlak boven de grond vast komen te zitten. Daar hing hij dan, alleen, zonder grond onder zijn voeten, zomaar zielig een beetje te bengelen. Deze kans kon ik niet aan me laten voorbijgaan.

“Strak kontje!” roep ik hem uitdagend toe. Zijn uitpuilende ogen kijken me triest aan. Ik laat het hier niet bij, trek me op aan één van de ijzeren stangen en knijp vrij hard in zijn kont. Een traan rolt moeizaam over zijn wang. De brutale vlegel die hier twee weken geleden nog elke voorbijkomende vrouw vulgariteiten naar het hoofd slingerde, staat nu op instorten. Het zal ze leren.

Geen opmerkingen: