donderdag 30 augustus 2007

Langs de waterkant (28/03/06)

Het is nacht. Ik staar naar beneden. Het water is kalm en zwart. Ik vraag me af hoe het zal voelen terwijl ik val, en wanneer mijn lichaam het koude water raakt. Of ik tijdens mijn val spijt zou hebben, of ik nog zou zwemmen. In alle eerlijkheid, ik vraag het me al zo lang af.

Sinds het begin van dit nieuwe leven lijk ik niet meer in staat te zijn om lief te hebben, niet meer in staat om te schrijven. Ik moet mezelf dwingen om af en toe een uiting van complete nutteloosheid neer te krabbelen, en niet weg te vluchten in het enige wat mij nog rest om te ontsnappen aan mijn nimmer pauzerende gedachtenmolen: de slaap. Zelfs de illusie dat ik misschien niet meer wakker zou worden ben ik kwijt.

Ik kan me die angst om ouder te worden herinneren, al vanaf het moment dat ik daarover na kon denken. Geen toekomstplannen, geen dromen over later... De doelloosheid van het bestaan hangt als een schaduw over alles wat ik doe. Ik zie geen redenen meer om nog moeite te doen, ik laat alles liggen waar het ligt. Het maakt niet uit hoeveel ik opruim, mijn leven blijft toch een puinhoop.

Er zijn tal van dingen die je kunt proberen om aan je eigen kwaadaardige hersenspinsels te ontsnappen. Uren doorbrengen in cafés die je niets zeggen, met mensen die je niet kent, heb ik ook al geprobeerd. Maar zelfs dat resulteert uiteindelijk in gepieker. Niet meer dan een herinnering blijft over van die lang vervlogen tijden, waarin ik mezelf matig populair mocht noemen, en ik mij er veel te goed van bewust was dat ook dit weer voorbij zou gaan.

En voorbij is het wel degelijk gegaan, te subtiel om opgemerkt te kunnen worden, te futiel om lang bij stil te staan. Ik zucht. Teveel denken kan iemands dood worden. Het water onder mij spat vrolijk op, uitnodigend bijna.

Geen opmerkingen: