Ik heb je gezien op de trein. Je haar lag anders, je had kleren aan die ik niet kende, een nieuwe bril en een ietwat anders gezicht. Maar toch was jij het. En telkens wanneer ik mezelf probeerde verzekeren van het feit dat jij het niet was, beantwoordde je mijn blik met stiekem gestaar. Ik voelde je ogen op me gericht, en elke blik op jou bevestigde dat voorgevoel. Ik voelde me in het nauw gedreven, daar zittend op de grond in die overvolle trein, durfde niet meer om me heen kijken. Toen besloot ik dat het tijd was om over te gaan tot wat, althans volgens de algemene stelregel, de beste verdediging is: de aanval. Ik zag mijn kans schoon bij het eerstvolgende station, toen de persoon tegenover je uitstapte. Het was niet echt slim van je om me uit te dagen, dat had je moeten weten.
Ik zette mezelf zo gracieus mogelijk weer op mijn beide benen, gooide mijn haar achterover en marcheerde op je af. Met een minachtend glimlachje posteerde ik me voor je neus. Daar had je niet van terug. De blikken stopten, en je ging verward in een krant bladeren. Nog voor de trein aangaf dat de volgende halte in zicht was, ging je al staan en begon je naar de uitgang te lopen.
Vandaag win ik.
donderdag 30 augustus 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten